Kasteel ten Esche, 100 Tollenaar 1981

Uit de collectie, Eddy Herremans.

 

Lokale penning voor de gemeente Schelle.

 

Materiaal: Apalca.

Bewerking: Geslagen.

Massa: 16,22 gram.

Diameter: Ø 35 mm.

Datering: 1981

 

Voorzijde: Binnen een gladde boord.

Zicht op "t' hof Ten Essche" een omwald kasteeltje en tolhuis.

Boven het kasteeltje het jaartal

                  1981

Onder het kasteeltje in twee regels.

                kasteel

             TEN ESCHE

Links de initialen van de graveur.

                   LR

Keerzijde: Binnen een gladde boord.

Een zeilboot varende naar rechts.

De schipper aan het roer.

Boven het schip.

     SCHELLE

Onder het schip, de waardebepaling.

           100 TOLLENAAR.

Links, achter de boot de initialen van de graveur.

                     LR

 

In de loop van 1702 vestigde het gezin Capitaine zich in Schelle bij Antwerpen. Sinds de middeleeuwen was daar in de onmiddellijke omgeving van het “‘t hof Ten Essche”, een omwald kasteeltje, een tolhuis gevestigd voor het heffen van in- en uitvoerbelastingen. Administratief behoorde het tot de “heerlijkheid van Laere”.De heerlijkheid Laer met het tolhuis op de Rupel, was een “enclavement” binnen Schelle en bezat een eigen schepenbank. De scabinale protocollen van Laer voor de periode 1650 – 1726 bleven niet bewaard. Het tolhuis, in feite een amalgaam van gebouwen, stond ter hoogte van “het Wiel”: de monding van de Rupel in de Schelde. Ook soms als “het Mechels gat” teruggevonden. De Schelde vormde er de grens tussen het graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant. De Rupel, met in het verlengde de Nete, Dijle en Zenne, was dan weer de waterweg bij uitstek om tot het Brabantse binnenland door te dringen. Alle transport te water van en naar Brussel, Mechelen, Leuven en Lier kwam dus voorbij Schelle. Naast scheepvaart was er vanuit Schelle een veerpont richting Rupelmonde om de Schelde over te steken, en een veerpont richting Hingene om de Rupel over te steken. Alles samen was Schelle dan ook de plaats bij uitstek voor een tolhuis om verschillende doorvoerbelastingen (“tonlieux”) te innen. Enerzijds het tolrecht van “het Wiel”, een belasting op het oversteken van de Schelde die integraal toebehoorde aan de vorst (en dus aan de centrale regering in Brussel). Anderzijds het tolrecht van Rumst, geheven bij het oversteken van de Rupel. de RAADT Johannes-Theodor & STOCKMANS Jean-Baptiste, “Geschiedenis der gemeente Schelle”, Lier 1916.[/ref] Een tol die voor de helft eigendom was van de vorst en voor de helft eigendom van de heer van de heerlijkheid Rumst (toen de prinsen de Ligne). In de kasboeken heeft men het dan ook steeds over “de halve Rumpstthol”.